Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0576

Datum uitspraak2006-09-06
Datum gepubliceerd2007-04-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers221066 CV EXPL 06-2412
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton


Indicatie

FPU-regeling en leeftijd.


Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT Sector Kanton Locatie Heerlen rolno: 06-2412 zaakno: 221066 typ: M.L. coll: Vonnis van de kantonrechter d.d. 6 september 2006 inzake [Naam eiser], wonende te [Woonadres eiser], eiser, gemachtigde: mr. L.T. den Hollander te Zwolle, tegen 1. de stichting Stichting Pensioenfonds ABP, statutair gevestigd en kantoorhoudende te 6411 JS Heerlen aan de Oude Lindestraat 70, 2. de stichting Stichting Fonds Vrijwillig Vervroegd Uittreden Overheidspersoneel, statutair gevestigd en kantoorhoudende te 6411 EJ Heerlen aan de Oude Lindestraat 70, gedaagden, gemachtigde mr. N.M.L. Bouchoms te Heerlen. 1 PROCESVERLOOP Door partijen zijn de volgende processtukken ingediend c.q. proceshandelingen verricht: - exploit van dagvaarding, met producties; - conclusie van antwoord, met productie; - conclusie van repliek; - conclusie van dupliek. De inhoud van deze stukken geldt als hier ingevoegd. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden. 2 BEOORDELING 1 [Naam eiser] is geboren op [Geboortedatum eiser] en werkt vanaf 1968 bij de overheid, sedert 1 november 1977 bij de gemeente 's-Hertogenbosch. Voor [Naam eiser] gold in 2005 het reglement Flexibele Pensioen Uitkering (FPU). Artikel 2.1.1 van dat reglement zegt: “De werknemer heeft na 1 april 1997 bij vervroegde uittreding na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar maar voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar recht op een uitkering (hierna te noemen: basisuitkering) indien hij […]” en artikel 8 van dat reglement: “ 1 De basisuitkering en de aanvullende uitkering waarop krachtens dit reglement recht is verkregen, gaan in met ingang van het tijdstip van vervroegde uittreding. 2 Het tijdstip van vervroegde uittreding kan zijn gelegen op enige eerste dag van de maand tussen de tijdstippen waarop de werknemer de leeftijd van 55 jaar en die van 65 jaar bereikt.” [Naam eiser] heeft het ABP in juli 2005 telefonisch verzocht hem een opgave te verstrekken van de te verwachten FPU-uitkering, indien hij per 1 januari 2006 voor 8 uur per week vrijwillig vervroegd zou uittreden bij de gemeente ’s-Hertogenbosch. Een medewerker van het ABP heeft [Naam eiser] daarop meegedeeld dat dit niet mogelijk was, omdat de FPU regeling met ingang van 1 januari 2006 zou komen te vervallen voor personen geboren na 1949. [Naam eiser] heeft het ABP bij brief van 21 juli 2005 verzocht hem alsnog een offerte uit te brengen voor een uitkering op grond van de FPU-regeling. Het ABP heeft [Naam eiser] daarop bij schrijven d.d. 24 augustus 2005 - voorzover in deze relevant - het volgende geantwoord: “Voor deelnemers die zijn geboren in 1950 of later en die op 31 december 2005 en op 1 januari 2006 deelnemer zijn wordt de FPU-regeling met ingang van 1 januari 2006 vervangen door een versterkt ouderdomspensioen. U valt gezien uw geboortedatum onder de nieuwe pensioenregeling […] De regeling die lijkt op de huidige FPU blijft alleen gelden voor degene die geboren is vóór 1950 […].” Naar aanleiding van nadere vragen van [Naam eiser] heeft het ABP bij schrijven van 13 september 2005 daar nog aan toegevoegd “Voor degenen die geboren zijn tussen 1 januari 1950 en 30 november 1950 en die daadwerkelijk momenteel gebruik maken van de huidige FPU-regeling, verandert er niets […] Dat neemt niet weg dat indien iemand die geboren is tussen 1 januari 1950 en 30 november 1950, die een dag korter is gaan werken met de huidige regeling, voor het restant ook géén gebruik meer kan maken van deze regeling vanaf 1 januari 2006, want dan geldt de nieuwe regeling ook voor deze persoon.” [Naam eiser] heeft bij schrijven d.d. 8 november 2005 een bezwaarschrift ingediend, dat op 14 november 2005 ongegrond is verklaard. Het daarop door hem op 23 november 2005 ingestelde beroep is bij beslissing d.d. 6 maart 2006 eveneens ongegrond verklaard door de Commissie van Beroep. 2.1 [Naam eiser] vordert een verklaring voor recht dat hij met ingang van 7 december 2005, althans een in goede justitie te bepalen ingangsdatum, recht heeft op vervroegde uittreding voor acht uur per week en de bijbehorende uitkering, conform de tot en met 31 december 2005 van kracht zijnde FPU- regeling. 2.2.1 [Naam eiser] is primair van mening dat hij op grond van de FPU-regeling recht heeft op de gevraagde vervroegde uittreding omdat zijn recht daartoe immers is ontstaan op het moment dat hij 55 jaar is geworden. 2.2.2 Subsidiair is hij van mening dat het niet redelijk is hem de toepassing van de FPU-regeling te ontzeggen, omdat deze beoogt werknemers vanaf het bereiken van de leeftijd van 55 jaar de mogelijkheid te geven vervroegd uit te treden, zoals blijkt uit artikel 2.1.1 van de FPU-regeling. Uit hoofde van administratieve doelmatigheid is in artikel 8 de regel ingevoerd dat de vervroegde uittreding pas ingaat op de eerste van een navolgende maand. Partijen die betrokken waren bij de totstandkoming van de FPU-regeling hebben niet voorzien in de onderhavige situatie dat ten gevolge van de administratieve regel de categorie personen die in de maand december 2005 55 jaar werden buiten de FPU boot zou vallen. Er is sprake van een onvoorziene omstandigheid zoals bedoeld in artikel 6:258 BW. Op grond van dat artikel, althans van artikel 6:248 BW dient artikel 8 van de FPU-regeling buiten toepassing te blijven en dient [Naam eiser] in aanmerking te komen voor vervroegde uittreding per 7 december 2005, althans een ingangsdatum zo spoedig mogelijk daarna. 2.3 Het ABP en het VUT-fonds voeren - kort en zakelijk weergegeven - aan dat de sociale partners binnen de overheid en het onderwijs de FPU met ingang van 1 januari 2006 hebben afgeschaft voor iedereen, die geboren is na 1949 en de regeling gewijzigd hebben voor iedereen geboren vóór 1950. [Naam eiser] kan geen gebruik maken van de tot 1 januari 2006 geldende regeling, omdat deze regeling op 1 januari 2006, zijnde de voor hem vroegst mogelijke ingangsdatum, in zijn concrete situatie niet meer bestaat. De oude regeling bleef gelden tot en met 31 december 2005 en tot en met deze datum konden ook nog deelnemers die geboren waren na 1949, zoals [Naam eiser], met FPU gaan, maar artikel 5a.1 van het Pensioenreglement bepaalt dat de deelnemer recht heeft op een flexibel pensioen met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, doch niet eerder dan met ingang van het tijdstip van vervroegde uittreding en in artikel 8 van het FPU reglement is bepaald dat dat tijdstip kan zijn gelegen op enig eerste dag van de maand tussen de tijdstippen waarop de werknemer de leeftijd van 55 jaar bereikt. 3.1 Per 1 januari 2006 is de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL, Sb 2005, 115) van kracht geworden. Die wet beoogt ondermeer de arbeidsparticipatie van ouderen in de leeftijd van 55 tot 65 jaar te verhogen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004 29760 nr. 3 pag 4-6) door de afschaffing van de fiscale faciliëring van VUT- en prepensioen-regelingen voor personen, die geboren zijn na 1949. De Wet VPL stelt het kader voor afspraken tussen de sociale partners in de Raad voor het overheidsbeleid en deze hebben op 5 juli 2005 een hoofdlijnenaccoord bereikt met betrekking tot de aanpassing van de VUT- en prepensioenregelingen aan de Wet VPL. Het hoofdlijnenaccoord is aangevuld bij addendum van 12 oktober 2005 en goedgekeurd in de Pensioenkamer. In het hoofdlijnenakkoord zijn ondermeer als overgangsmaatregelen afgesproken dat voor werknemers met een lopende FPU-uitkering die is ingegaan vóór 1 januari 2006 de situatie in beginsel ongewijzigd blijft. Voor werknemers die op 31 december 2005 in dienst zijn en op dat moment 56 jaar of ouder zijn geldt in beginsel een regeling conform de in 2005 bestaande FPU-regeling en voor werknemers die op 31 december 2005 in dienst zijn en op dat moment jonger dan 56 jaar gelden de in het akkoord vastgelegde maatregelen. In verband met het voorgaande is het FPU-reglement met ingang van 1 januari 2006 een nieuw artikel toegevoegd (Stcrt nr. 252, 2005 pag 55): “Artikel 1.a In geval van toekenning van een fpu-uitkering met ingang van 1 januari 2006 of daarna op grond van dit Reglement, waaronder begrepen een toekenning in verband met een vervolguittreding, wordt die uitkering mede vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage A.” Bijlage A zegt: “1. Werkingssfeer Onder werknemer wordt verstaan, de werknemer geboren voor 1 januari 1950 die per 1 april 1997 uitzicht heeft verkregen op een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 4 en dat uitzicht sindsdien heeft behouden.” 3.2 [Naam eiser] is geboren voor 1 januari 1951, zodat hij op grond van het per 1 januari 2006 geldende FPU-reglement niet voor een uitkering in aanmerking kwam. Dit zou, gezien de in het hoofdlijnenaccoord neergelegde overgangsmaatregelen, slechts anders zijn indien [Naam eiser] vóór 1 januari 2006 een lopende FPU-uitkering had. Dat is niet het geval. Op grond van artikel 2.1.1 en (het ongewijzigd gebleven) artikel 8 van het FPU-reglement zou het tijdstip van vervroegde uittreding op zijn vroegst gelegen kunnen zijn op de eerste dag van de maand nadat hij 55 jaar is geworden, derhalve op 1 januari 2006. Het enkele feit dat op grond van de overgangsmaatregelen werknemers, geboren tussen 1 januari 1950 en 30 november 1950 die op 31 december 2005 reeds een FPU-uitkering hadden, deze uitkering hebben behouden maakt nog niet dat in het geval van [Naam eiser] sprake is van onvoorziene omstandigheden, c.q. dat toepassing van artikel 8 van het FPU-reglement in zijn situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn of in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Anders dan [Naam eiser] meent heeft hij als ambtenaar geen onherroepelijke rechten inzake de Flexibele Pensioen Uitkering (FPU) opgebouwd, nu deze regeling geen relatie kent tussen de door de werknemer afgedragen premie en de door die werknemer in de toekomst eventueel te ontvangen uitkeringen (Tweede Kamer, 2003-2004, 29760 nr. 3 pag. 6). Dat partijen de bij de totstandkoming van de FPU-regeling in 1997 niet in de onderhavige situatie hebben voorzien is geen geldig argument, nu het diezelfde partijen zijn die de regeling op grond van de Wet VPL hebben aangepast. Of artikel 8 van het FPU een doelmatigheidskarakter draagt is niet relevant. Deze bepaling geldt immers al sinds 1 april 1997 voor iedere werknemer die op grond van het reglement vervroegd is uitgetreden. Er is geen reden om voor [Naam eiser] een uitzondering te maken en hem een uitkering toe te kennen op een eerder, dan in artikel 8 vastgesteld tijdstip, nu hij behoort tot de groep mensen, die na 1949 is geboren. Het vorenstaande leidt ertoe, dat de vordering zal worden afgewezen. 4 [Naam eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. 3 UITSPRAAK De kantonrechter: wijst het gevorderde af; veroordeelt [Naam eiser] in de aan de zijde van het ABP en de Stichting VUT Fonds gerezen proceskosten, tot op heden begroot op in totaal € 200,- terzake salaris en noodzakelijke kosten van de gemachtigde. Aldus gewezen door mr. A.C. Oosterman-Meulenbeld, kantonrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.